
Ars longa vita brevis
21 januari 2010
De dood in de kunst. Een hoofdstuk dat ik liever over zou slaan, maar dat me tegelijkertijd fascineert. Dat geldt overigens
zeker niet voor alle dood in de kunst. Stervende Galliërs, creperende schipbreukelingen op een vlot van de Medusa,
Christus, met de kin op de borst gezakt, hangend aan het kruis... de beeldende kunst sterft van de sterfgevallen.
Boeiend om naar te kijken, daar niet van, en ik doe in mijn rol als beschouwer heus mijn best om me in te leven in
hetgeen is afgebeeld. Aangezien pathos door veel kunstenaars uit het verleden niet werd geschuwd lukt me dat de ene
keer beter dan de andere. Zelden word ik werkelijk geraakt door de dood; met de blik van de geïnteresseerde
kunstliefhebber buig ik me nog eens over de gesloten ogen van de fictieve dode. Een type, een personage, dat een rol
speelt in de voorstelling, een dode die ik weer vergeten ben zodra mijn ogen een ander schilderij ontwaren.
Tot zover niets aan de hand.
De doden in de kunst waar ik op doel laten me namelijk niet zo snel los. Beelden van hen gaan onder mijn huid zitten en
dringen zich ongewild aan me op, hoezeer ik me daar ook tegen tracht te verzetten. Het gaat om die doden die bij
voorbaat al zinloos gestorven zijn vanwege hun leeftijd: kinderen.
Als bij toverslag verandert deze geïnteresseerde kunstliefhebber in een emotionele moeder. Kunst is dan niet langer
kunst, maar de uitbeelding van mijn ultieme nachtmerrie.
Helaas. Vaker dan me lief is stuit ik op zo'n beeld. Zeker in de 19de eeuw kreeg men er een handje van om portretten van
gestorven kindertjes te maken; baby's, peuters, kleuters, met gevouwen handjes, de ogen gesloten of - erger nog- wijd
open alsof je naar een levensgrote, zielloze pop kijkt. Ingebakerd of in zondagse kleren, door bloemen omringd.
En dankzij het nieuwe medium fotografie werden dergelijke portretten nog realistischer dan wanneer ze in verf werden
vastgelegd. In nagenoeg ieder 19de eeuws fotoalbum trof men wel foto's van gestorven kinderen aan.
En het doel daarvan is duidelijk: de ouders gaven op deze manier uiting aan hun intense verdriet over het verliezen
van hun kind (of, God beware mij, meerdere kinderen!).
De Zwitser Albert Anker schilderde het kneuterige dorpse leven van de 19e eeuw. Kinderen spelen in zijn schilderijen
veelal de hoofdrol. In Die Kinderkrippe(1890) zien we klein grut rondom een tafel in een voorloper van ons
huidige kinderdagverblijf. En in Kinderfrühstück imiteren meisjes hun moeders, door vol toewijding in de weer
te zijn met een porseleinen theeserviesje. Geregeld figureerden Ankers eigen kinderen in zijn tafereeltjes. De
tweejarige Rudolf, bijvoorbeeld, die met een slabbertje om in zijn pap zit te porren. Aandoenlijk.
Maar op het volgende schilderij zien we de kleine Rudolf liggen, de oogjes vredig gesloten boven de bolle peuterwangen,
een bosje bloemen geklemd in de knuistjes die eerder nog de lepel vasthielden.
De objectieve kunstenaar gaf het werk de titel: Knabe auf dem Totenbett (1869). Maar de woorden die in de verf
zijn gekrast verraden dat die kunstenaar tegelijkertijd een vader is die zijn kind verloren heeft: Du lieber, lieber
Rudi.
Ja, dan, op zo'n moment, komt de kunst verrekte dichtbij en grijpt me naar de keel. Hier is geen sprake van goedkoop
effectbejag. Hier houdt de kunstenaar geen rekening met de reactie van het publiek, met de tranen die moeten vloeien.
Ik probeer me voor te stellen wat zoiets van de kunstenaar gevergd moet hebben. Vooral ook vraag ik me af wat hem ertoe
gedreven heeft om zijn dode kind te vereeuwigen. En in de vraag zit meteen het antwoord: de hoop het zo geliefde kind
voort te laten leven in al zijn schoonheid en onschuld. Om hem voor de eeuwigheid te bewaren. Ars longa vita brevis.